Europa heeft de diagnose. De uitvoering ontbreekt
12 mei 2026

Europa heeft de diagnose. De uitvoering ontbreekt.
Algemene Ledenvergadering ICC Netherlands 2026: vier stemmen over concurrentievermogen, AI, energie en MedTech – en de ene uitdaging waar ze allemaal op uitkomen
Twintig maanden nadat het Draghi-rapport de concurrentieproblemen van Europa in kaart bracht, is slechts 11,2% van de 176 aanbevelingen uitgevoerd. Het Wennink-rapport vertaalde diezelfde diagnose inmiddels naar de Nederlandse context: een huidige groei van 0,5 tot 0,9%, tegenover de 1,5 tot 2,0% die nodig is om de economie op koers te houden. Al met al hadden de leden, partners en beleidsmakers die op 6 mei 2026 bijeenkwamen op de jaarlijkse Algemene Ledenvergadering van ICC Netherlands genoeg gespreksstof.

Het thema van de dag was bewust prikkelend: kan Europa het bijhouden? Vier heel verschillende presentaties gaven hetzelfde antwoord. Het ontbreekt Europa niet aan diagnose, maar aan uitvoering. Om te onderzoeken waarom, bracht de vergadering vier stemmen samen uit verschillende hoeken van het Europese debat over bedrijfsleven en beleid. Paul Verhagen, lecturer aan de Universiteit van Amsterdam, over technologie en geopolitiek. John Müller, IT Director of AI Engineering bij ING, over de AI-race. Norbert Both, partner bij Publieke Zaken en voormalig diplomaat en Shell-bestuurder, over energie. Thomas Leenders, Head of Government and Public Affairs Benelux bij Philips, over MedTech en het Wennink-groeiplan. ICC Global Deputy Director Andrew Wilson, die vanuit Parijs aanschoof, sloot af met een mondiaal perspectief.
Een nieuwe strategische kaart
Paul Verhagen opende met de scherpste analyse van de dag. Europa staat voor drie bedreigingen tegelijk: militair kwetsbaar tegenover Rusland, economisch afhankelijk van China en technologisch steeds meer gegijzeld door de Verenigde Staten. ‘Onze oudste bondgenoot gedraagt zich steeds meer als een vijand’, zei hij. Het neoliberale tijdperk dat het Europese bedrijfsleven vormde, was volgens hem nooit het product van pure marktwerking. Het rustte op goedkope Russische energie, Amerikaanse veiligheid en Amerikaanse technologie.

De pragmatische conclusie van zijn betoog is ongemakkelijk: Europa zou zich juist naar China moeten keren voor wat het nu het hardst nodig heeft. China heeft de race om de elektrische auto gewonnen, stelde hij. Europa zou zijn heffingen op Chinese elektrische auto’s moeten schrappen, ze op grote schaal moeten inkopen en zo Europese industriële capaciteit moeten vrijmaken voor wat Europa wél zelf moet bouwen – ook voor defensie. In ruil daarvoor zou Europa moeten inzetten wat China dringend wil en nodig heeft: toegang tot de EUV-machines van ASML, geruild tegen zeldzame aardmetalen en Chinese medewerking rond Oekraïne.
Die ruil is moreel kostbaar, erkende hij. ‘Wat we dan zeggen, is dat we Taiwan inruilen voor EUV. Dat is wat het betekent.’ De strategische prioriteit voor Europa ligt in zijn ogen bij Oekraïne, niet bij Taiwan.
Zijn positieve model noemde hij een tuin met hoge muren: interne concurrentie op de Europese markt, achter heffingen die strategisch vitale sectoren beschermen. ‘Wederzijdse afhankelijkheid wordt een transactie’, zei hij. ‘Waar die ons helpt, gebruiken we haar. Waar die ons schaadt, snijden we haar weg als het onkruid dat het is.’
Onder de provocaties school de diagnose waar de dag steeds op terugkwam. ‘We hebben de Chips Act. We hebben de Green New Deal. We hebben de Mining Act. En we hebben de AI Act. We proberen dit allemaal tegelijk te doen’, zei hij. ‘Dat klinkt als grootheidswaanzin – want dat is het ook.’ Hij trok de vergelijking met de Meiji-restauratie: toen Japan in de negentiende eeuw zag hoe de Qing-dynastie werd ontmanteld, stuurde het gezanten om te leren waar de Europese kracht vandaan kwam – en bouwde het zijn instituties opnieuw op. Europa moet vandaag dezelfde vraag aan anderen stellen, betoogde hij.
De AI-kloof
John Müller verplaatste het gesprek van grote strategie naar de technische werkvloer. Als AI-verantwoordelijke van ING, met vijftien jaar ervaring in het vakgebied, behoort hij tot de kleine groep Europese praktijkmensen die de technologie zowel vóór als na ChatGPT hebben zien evolueren – en die op basis van die kennis nu lastige inkoopbeslissingen moeten nemen.
‘Er is op dit moment maar één supermacht op het gebied van AI’, zei hij. De VS gaven in 2024 ruim vijf keer zoveel uit aan AI als de EU, en sommige analisten verwachten in 2026 nog eens 44% meer investeringen. Het structurele risico zit volgens hem niet alleen in het investeringsvolume, maar in de afhankelijkheid. ‘De meesten van u’, hield hij de zaal voor, ‘kunnen niet inloggen op hun computer als Microsoft zijn ID-dienst uitzet.’ De Amerikaanse hyperscalers zijn in zijn ogen allang geen gewone bedrijven meer. ‘U moet ze eigenlijk gaan zien als centrale banken van de digitale economie, niet als gewone bedrijven.’

Hij schetste vier scenario’s voor Europa – elk met een serieus nadeel. Blijven leunen op Amerikaanse cloudaanbieders? Dan accepteert u de structurele afhankelijkheid, en zelfs de hyperscalers beginnen capaciteit te rantsoeneren. Overstappen op Europese cloudalternatieven? ‘Die lopen jaren achter. Als de eerste uitvalt, valt alles uit.’ Alles zelf bouwen met open source? Dan werken uw beste engineers niet meer aan het bedrijf dat hen betaalt. Groot inzetten op één Europese kampioen? Dan maar hopen dat u de juiste kiest.
Müller sloot niet af met een antwoord, maar met een vraag aan de zaal: welk wondermiddel bent u bereid te kiezen? Het was het ongemakkelijkste moment van de middag. Geen enkel scenario was de veilige keuze – en elk Nederlands bedrijf in de zaal maakt die keuze in een of andere vorm al.
Van petrostaten naar elektrostaten
Waar Verhagen en Müller aandrongen op besliste keuzes, pleitte Norbert Both voor iets minder dramatisch, maar moeilijker: dat Europa eerst orde op zaken stelt voordat het bepaalt op wie het vervolgens gaat leunen.
‘Geen enkele plek op aarde kan volledig zelfvoorzienend zijn’, zei hij. ‘Europa zal altijd energie importeren – in het fossiele systeem én in het nieuwe, geëlektrificeerde systeem.’ De vraag is voor hem niet hoe Europa aan die afhankelijkheid ontsnapt, maar hoe het die beheerst: zorg voor keuzemogelijkheden, reservecapaciteit en gespreide leveranciers. Hij greep naar een huiselijke vergelijking. ‘Verschillende schoenen voor verschillende gelegenheden – en zo is het ook met energie.’
Both schetste het wereldbeeld opnieuw: een verschuiving van petrostaten, die olie en gas beheersen, naar elektrostaten, die kritieke mineralen en de bijbehorende verwerkingscapaciteit in handen hebben. China domineert die tweede categorie vrijwel volledig. De infrastructuurgolf daarachter is enorm. Met een citaat van Jensen Huang van NVIDIA hield hij de zaal voor dat AI ‘de grootste infrastructuuruitbouw in de menselijke geschiedenis’ is. Dat betekent ongeveer een verdubbeling van de elektriciteitsvraag van datacenters in de komende vijf tot zeven jaar, ‘het equivalent van het hele Duitse elektriciteitssysteem erbij’.
De Nederlandse kant van die uitbouw stemt tot nadenken. Onder verwijzing naar TenneT merkte hij op dat Nederland alleen al ongeveer 100.000 kilometer extra kabel nodig heeft, plus 50.000 nieuwe transportstations, 670 hoog- en middenspanningsstations en 30.000 extra technici. Dat vraagt een ruimtebeslag ter grootte van 11.000 voetbalvelden. ‘En nog steeds hoor ik politici en hoge ambtenaren zeggen: we moeten het systeem gewoon elektrificeren. Prima. Maar wees eerlijk over de schaal.’

Er is ook een fossiele kant van het verhaal die stil is gevallen. Europa heeft zijn raffinagecapaciteit tien jaar op rij afgebouwd, met als gevolg een directe importafhankelijkheid van 25 tot 30% voor kerosine. Duurzame vliegtuigbrandstof zal helpen, maar ‘ook als die wordt geproduceerd, blijft ze gebaseerd op geïmporteerde methanol – en de grootste producent van groene methanol is China. Dezelfde flessenhalzen, dezelfde afhankelijkheden.’
Zijn oproep: eerst bescheidenheid, dan actie. ‘Speak softly and carry a big stick’, zei hij. ‘Stel orde op zaken. En gebruik geen grote woorden als u weet dat u afhankelijk bent.’ Zijn meest prikkelende voorstel: waar de businesscase voor energiezekerheid verdwijnt – raffinaderijen, gasopslagen, kolen- en gascentrales – zou de staat bereid moeten zijn geld uit te trekken. Zo blijven die installaties beschikbaar voor het moment dat de samenleving ze nodig heeft. ‘Bedrijven betalen die rekening niet.’
Van plan naar uitvoering
Waar het geopolitieke deel de opgave schetste, liet Thomas Leenders zien hoe uitvoering er in de praktijk uit kan zien. Philips droeg bij aan zowel het Wennink-rapport als het daaruit voortgekomen MedTech-groeiplan. Die routekaart is vormgegeven door meer dan duizend stakeholders en moet Nederland in 2035 in de mondiale top drie van MedTech-ecosystemen brengen, en op de eerste plaats in Europa.

De cijfers achter die ambitie zijn concreet: nu ongeveer 30.000 MedTech-banen in Nederland, met ruimte voor 11.000 extra; €5 miljard aan extra jaarlijkse exportwaarde in 2035; ruim €22 miljard aan mogelijke besparingen in de zorg door digitalisering en AI; en meer dan 75 nieuwe start-ups en scale-ups die al in beeld zijn. Philips alleen al investeert €650 miljoen per jaar in Nederlandse R&D – 40% van zijn totale R&D-uitgaven wereldwijd – en heeft ongeveer 4.000 medewerkers op de locatie in Best, waar de vergadering werd gehouden.
Maar Leenders was duidelijk: de ambitie is het makkelijke deel. ‘In het Draghi-rapport zien we veel goede plannen, maar geen uitvoering’, zei hij. ‘Dit plan moet anders zijn. Anders is het na zes, acht of twaalf maanden nog altijd alleen een plan – en dan wordt het over vijf of tien jaar een probleem.’
Zijn voorstel voor de uitvoering was concreet. Het plan vraagt om een overheidsstructuur met twintig programmaleiders per domein en een triple-helixaanpak die bedrijfsleven, wetenschap en overheid vanaf dag één aan elkaar bindt. Hij wees op de Nederlandse ministeriële taskforce die al wordt samengesteld, aangestuurd vanuit het kabinet van de minister-president en samen met het ministerie van Economische Zaken. Dat is het soort structuur dat het verschil kan maken tussen een plan dat resultaat oplevert en een plan dat een voetnoot in de geschiedenis wordt.
Vier prioriteiten, één uitdaging
Andrew Wilson sloot het panel af en zoomde weer uit. Het probleem van Brussel is volgens hem geen gebrek aan ideeën, maar een gebrek aan focus. Europa probeert alles tegelijk en komt zelden uit bij de vier of vijf zaken die er het meest toe doen. Vanuit Brussels perspectief schetste hij wat die prioriteiten zouden kunnen zijn.

Ten eerste China: Europa heeft een samenhangende gezamenlijke visie nodig op zijn belangrijkste externe relatie. Ten tweede AI en de toekomst van werk: Europa moet zijn defensieve houding, waarin regulering voorop staat, achter zich laten en strategisch gaan handelen. Ten derde de interne markt, en dan vooral de dienstenmarkt, waar hervorming al ruim twintig jaar wordt beloofd en nog altijd niet af is. Ten vierde de energiemarkten: het concurrentievermogen staat of valt met industriële energiekosten, en die zijn vandaag simpelweg onwerkbaar.
Het cijfer van 11,2% uitvoering van Draghi is als kop misschien wat oneerlijk, gaf hij toe. ‘Maar de richting’, zei hij, ‘is onmiskenbaar. De zwakte van Europa zit niet meer in de diagnose. Ze zit in de uitvoering.’ En die uitvoering komt volgens hem niet van de Europese Commissie alleen. ‘Het bedrijfsleven zal zich in het gesprek moeten mengen.’
Waar ICC Netherlands in beeld komt
En daar ziet ICC Netherlands zijn rol. Voor Director General Laure Jacquier onderstreepte het gesprek op de vergadering precies waarom de organisatie er nu toe doet. ‘Het mondiale regelboek wordt in real time herschreven’, zei ze. ‘Onze rol is ervoor te zorgen dat Nederlandse bedrijven aan tafel zitten waar dat gebeurt – praktijkervaring inbrengen in mondiale regelgeving, en mondiale complexiteit vertalen naar iets waar bestuurders mee aan de slag kunnen.’

De vergadering werd afgesloten met de formele agenda van het jaar en een herinnering aan de vijf strategische prioriteiten van ICC Netherlands voor 2024–2026: multilateralisme en handel, integer ondernemen, geschillenbeslechting, duurzaamheid en inclusief leiderschap, en digitale handel. Het gesprek ging verder onder het genot van een drankje, tussen de medische technologie van Philips. Dat herinnerde er treffend aan dat de vraag of Europa kan bijblijven uiteindelijk een vraag is over wat de Europese bedrijven straks kiezen te bouwen en te leveren, en waar ze voor gaan staan.
