Elektrificatie, grondstoffen en het (gebrek aan) concurrentievermogen van Europa
Norbert Both
1 jun 2026

Elektrificatie, grondstoffen en het (gebrek aan) concurrentievermogen van Europa
Een gesprek met Norbert Both, Senior Advisor bij Publieke Zaken
Weinig mensen brengen zoān combinatie van diplomatieke, zakelijke en public affairs-ervaring mee in het debat over de energietransitie als Norbert Both. Na tien jaar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken werkte hij zeventien jaar bij Shell in functies op het gebied van overheids- en externe betrekkingen. Daar had hij te maken met enkele van de politiek meest beladen dossiers van de afgelopen decennia: de aardbevingen in Groningen, de kwestie rond de dividendbelasting en de onderhandelingen over het Klimaatakkoord. Als Senior Advisor en partner bij public affairs-bureau Publieke Zaken adviseert hij bedrijven over de uitdagingen van de energie- en industrietransitie. In dit interview gaat hij in op wat Europa kan leren van China en de Verenigde Staten, hoe Europa is vastgelopen in een moeras van bureaucratie en hoe publiek-private samenwerking bij de energietransitie er werkelijk uit zou moeten zien.
Laten we ons gesprek beginnen met een definitie. Hoe ziet goede publiek-private samenwerking bij de energietransitie er eigenlijk uit?
Als ik het hierover heb, vergelijk ik altijd de drie grote modellen. Om te beginnen China, dat zichzelf van bovenaf door de energietransitie stuurt. Het land heeft een centraal geformuleerde, zorgvuldig opgebouwde nationale strategie en daarmee een helder beeld van waar het naartoe moet. Zo heeft China een leidende positie verworven in een aantal van de meest geavanceerde technologieƫn, Ʃn controle over de verwerking van kritieke grondstoffen.
Kijk vervolgens naar de Verenigde Staten, die zich door de energietransitie heen investeren. Mijn herinneringen aan autoritten in Texas zijn daarvoor tekenend: aan de ene kant staat een enorme pick-up met vierwielaandrijving, aan de andere kant een Tesla. Texas is namelijk niet alleen de oliestaat, maar ook de belangrijkste staat voor windenergie op land. Of we het nu leuk vinden of niet, de VS vormen het zwaartepunt van de bouw van datacenters, gevolgd door China, met Europa op afstand daarachter.
Dan is er Europa, dat er trots op is een regelgevende grootmacht te zijn. En inderdaad: de Europese kaders voor COā-beprijzing en duurzaamheidsnormen zijn de meest geavanceerde ter wereld. Maar we zien dat andere rechtsgebieden ā China in het bijzonder ā technologisch sneller munt slaan uit die kennis. Dat komt doordat we onszelf een moeras van bureaucratie in hebben gewerkt. Zoals de rapporten van Draghi en Letta laten zien, staat daarmee het concurrentievermogen van Europa op het spel.
Er is nog een vierde model dat de moeite van het volgen waard is: India. Met een bevolking van 1,5 miljard mensen en een gemiddelde leeftijd van 28 jaar gaat India naar mijn overtuiging een leidende rol pakken in hightechsectoren.
Voor de energietransitie heeft Nederland enorm veel nieuwe infrastructuur, ruimte en geschoold personeel nodig. Welke lessen kan Europa trekken uit China en de Verenigde Staten om dat voor elkaar te krijgen?
In mijn werk bij Publieke Zaken klaagt elk bedrijf dat ik spreek ā klein, middelgroot of groot ā over hetzelfde: de nachtmerrie van wet- en regelgeving en bureaucratie die ondernemerschap en investeringen verstikt, en de versnippering van vergunningsprocedures die projecten enorme vertraging bezorgt. Van China kunnen we volgens mij leren om de regie op macroniveau te centraliseren en tegelijk ruimte te laten voor concurrentie. Van Amerika is de les: optimisme en het losmaken van de investeringskracht van de kapitaalmarkten.
En wie is hier eigenlijk verantwoordelijk voor ā de overheid, de netbeheerders of het bedrijfsleven?
De overheid stelt de basisregels vast en bewaakt het gelijke speelveld, in elk geval binnen Europa. Wet- en regelgeving kritisch tegen het licht houden en vereenvoudigen zou een vast onderdeel moeten zijn van een efficiƫnte overheid. We zouden ook moeten overwegen om iets in de trant van het oude ministerie van VROM opnieuw in te stellen, met infrastructuur, ruimtelijke ordening en milieu onder ƩƩn dak. De rijksoverheid heeft daarbij sterkere bevoegdheden nodig om wat in feite een chaotisch landschap van lokale besluiten en niet-besluiten is te doorbreken.
Wie is er dus verantwoordelijk? Zij allemaal. TenneT en de netbeheerders hebben in feite de leiding, maar ook de kabelfabrikanten verdienen vermelding. Europa is nog altijd wereldleider in hoogspanningskabels, en dat zouden we moeten koesteren. Voor het koper dat verdere elektrificatie vraagt, moeten we strategische relaties opbouwen met landen als Chili, Peru, de Democratische Republiek Congo en Australiƫ. We moeten een plan hebben voor de grondstoffen.
Op welke termijn moeten die lessen in praktijk worden gebracht?
Er is geen tijd te verliezen. We zijn nog steeds sterk afhankelijk van grondstoffen. Als we ons niet snel herpakken, riskeren we de de-industrialisatie van Europa. Of we houden de industrie kunstmatig in leven, tegen extreem hoge kosten en met hoge handelsbarriĆØres. We moeten begrijpen waar onze strategische relevantie ligt en die gebieden de ruimte geven om te bloeien.
U noemde koper als cruciale grondstof. China domineert de kritieke mineralen en de verwerkingscapaciteit waarvan het geƫlektrificeerde systeem afhankelijk is. Is het veiligstellen van die supply chain een taak voor overheden of voor bedrijven?
China heeft zijn positie in kritieke mineralen decennia geleden veiliggesteld. Niet alleen door grondstoffen op eigen grondgebied te beheersen, maar door zichzelf onmisbaar te maken als verwerkingshub voor elders gewonnen mineralen. Zelfs Noord-Amerikaanse grondstoffen gingen naar China voor verwerking. Als Europa zijn elektrificatieagenda serieus neemt, moet het bereid zijn de handen vuil te maken ā letterlijk. Dat betekent: de lithiumvoorraden in Duitsland en Portugal winnen, verwerkingscapaciteit opbouwen en accepteren dat dit geen schone bedrijfstak is.
Het draait overigens niet alleen om China. Het is interessant om te zien dat de regering-Trump het initiatief nam voor een transatlantisch handelskader voor kritieke mineralen: de Plurilateral Trade Agreement on Critical Minerals. Dat laat zien dat de Amerikanen begrijpen wat er de komende twintig tot dertig jaar in de wereld toe doet. Ze zijn niet blind gefixeerd op olie en gas. Ze denken aan de toekomst en beseffen dat ze partners en vrienden nodig hebben.
Private investeringen volgen voorspelbaarheid. Hoe creƫert u de omstandigheden waarin langetermijnkapitaal zich veilig genoeg voelt om zich vast te leggen?
Ik kan u een concreet voorbeeld geven waarin voorspelbaarheid heeft geloond. Shell bouwt in de regio Rotterdam een groene waterstoffabriek: Holland Hydrogen 1, een investering van een miljard dollar en de eerste in zijn soort in Nederland. De belangrijkste reden dat Shell zoān project kon aangaan, was de voorspelbaarheid van de regelgeving en een beleid dat vraag creĆ«erde. Halverwege de bouw veranderde de Nederlandse overheid echter de regels, en daarmee ineens ook de businesscase van het project. Het kostte enorme inspanning om de overheid terug te brengen naar haar oorspronkelijke standpunt. De les is simpel: de overheid mag de spelregels nooit veranderen als een bedrijf zijn investeringsbeslissingen op een bepaald beleid heeft gebaseerd. Dat brengt niet alleen het project in kwestie in gevaar. Die onvoorspelbare regelgeving zet ook mogelijke toekomstige projecten op het spel.
De energietransitie wordt bijna altijd in groene termen besproken. Welke plaats heeft kernenergie daarin?
Frankrijk heeft enorm geprofiteerd van zijn kerncentrales, zowel qua COā-voetafdruk als qua leveringszekerheid. Duitsland nam juist afscheid van kernenergie en moest dat compenseren met meer kolen en gas. Wind en zon leveren namelijk geen basislast. Ik denk dat kernenergie een rol te spelen heeft, maar wie neemt het risico om in Nederland een kerncentrale te bouwen, wetend wat we weten over vergunningsproblemen en over overheden die de spelregels veranderen? Dat gezegd hebbende: in de Verenigde Staten beleeft kernenergie een opleving.
Laten we ons gesprek afsluiten met een ābig pictureā-vraag over de energietransitie. Hoeveel elektrificatie moeten we nastreven?
Een robuust en veerkrachtig energiesysteem zet niet alles op ƩƩn kaart. Daarom denk ik dat elektrificatie met mate de weg vooruit is voor Europa. Maar we moeten realistisch zijn: hoe komen we bijvoorbeeld aan al dat koper?
Ons toekomstige energiesysteem zal nog steeds bestaan uit elektronen en moleculen. Een deel van de groene moleculen maken we zelf, het merendeel importeren we. Na 2050 moet het resterende gebruik van fossiele brandstoffen worden ondervangen met de afvang en opslag van COā, of met carbon credits uit herbebossing en bosbehoud. We blijven afhankelijk van invoer. Het idee dat we onafhankelijk worden zodra we onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen afwerpen, is onjuist: voor kritieke mineralen zijn we juist afhankelijk van import.
Vooruitkijkend is er nog ƩƩn onderwerp waarop Europa dringend vooruitgang moet boeken: recycling. Het is belangrijk te bedenken dat kritieke mineralen, eenmaal geĆÆmporteerd, gerecycled en hergebruikt kunnen worden. Dat is het fundamentele verschil met olie en gas, die voortdurend door nieuwe aanvoer moeten worden vervangen. Onze recyclingsector is echter nog niet volwassen, en ons stelsel van regelgeving straft bedrijven die het proberen actief af. Bouwt een bedrijf een pyrolysefabriek om moeilijk recyclebare kunststoffen te verwerken, dan stijgen de scope 1-COā-emissies. Daarvoor betaalt het op grond van het EU ETS, terwijl het niets terugkrijgt voor zijn bijdrage aan de circulaire economie. Op Europees niveau moeten we het recyclen van kritieke materialen veel beter gaan belonen. Laten we hopen dat dit terugkomt in de aanstaande Circular Economy Act van de EU.
